Wanneer je alles hebt gekregen behalve wat je nodig had
Over materiële zorg en emotionele afwezigheid
Door Fred Hooft, systeemtherapeut
“Ik had eigenlijk een goede jeugd.”
Het is een zin die ik vaak hoor in de spreekkamer.
“Mijn ouders werkten hard.”
“We kwamen niets tekort.”
En toch volgt daarna vaak een lange stilte.
Want als ik vraag hoe het was om verdrietig te zijn, bang te zijn of troost nodig te hebben, wordt het antwoord minder vanzelfsprekend.
“Daar praatten we eigenlijk niet over.”
“Je moest je niet aanstellen.”
“Mijn ouders waren er wel, maar niet echt.”
Dat is de verwarring die veel mensen met emotionele verwaarlozing ervaren.
Aan de buitenkant leek alles in orde.
Misschien zelfs liefde, op de manier waarop de ouders die konden geven.
Maar iets essentieels ontbrak.
Een kind heeft namelijk meer nodig dan fysieke verzorging.
Het heeft iemand nodig die zich afstemt op zijn binnenwereld.
Iemand die nieuwsgierig is naar wat het voelt.
Die merkt wanneer woorden ontbreken.
Die troost biedt zonder dat daarom gevraagd hoeft te worden.
Die helpt gevoelens te begrijpen en te verdragen.
Juist in die dagelijkse, vaak kleine momenten ontstaat het gevoel:
“Wat ik voel doet ertoe.”
“Ik hoef moeilijke gevoelens niet alleen te dragen.”
Wanneer die emotionele afstemming ontbreekt, leert een kind vaak heel andere lessen.
Dat gevoelens beter verborgen kunnen blijven.
Dat je niemand tot last mag zijn.
Dat liefde vooral bestaat uit zorgen, presteren of verantwoordelijkheid nemen.
Veel volwassenen dragen deze overtuigingen nog steeds met zich mee.
Ze zorgen goed voor anderen.
Maar diep van binnen blijft het gevoel bestaan dat er iets ontbreekt.
Niet omdat zij ondankbaar zijn.
Maar omdat een menselijke basisbehoefte nooit werkelijk is vervuld.
Dat maakt emotionele verwaarlozing zo ingewikkeld.
Je kunt tegelijkertijd dankbaar zijn voor wat je ouders je hebben gegeven én rouwen om wat je hebt gemist.
Die twee sluiten elkaar niet uit.
Ouders kunnen enorm hun best hebben gedaan en toch emotioneel onvoldoende beschikbaar zijn geweest.
Maar omdat zij zelf nooit geleerd hebben hoe emotionele nabijheid eruitziet.
In therapie gaat het daarom zelden over het aanwijzen van schuldigen.
Het gaat over het leren herkennen van een gemis dat jarenlang geen naam had.
Over ontdekken dat jouw behoefte aan aandacht, troost en verbondenheid niet overdreven was.
Misschien is dat wel de moeilijkste vorm van rouw.
Rouwen om iets wat je nooit hebt gehad.
Om een blik die je zocht.
Een vraag die nooit werd gesteld.
“Hoe is het eigenlijk met jou?”
En misschien begint herstel precies daar.
Bij het besef dat je verlangen naar gezien worden geen teken van zwakte is.
Maar een behoefte die ieder mens, vanaf het allereerste begin, met zich meedraagt.